Print

Betrokkenheid bij drugslaboratorium leidt snel tot verantwoordelijkheid voor de daarbij ontstane bodemverontreiniging

Gepubliceerd: 11-09-2018
Uit een tweetal recente uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat indien een (rechts)persoon betrokken is bij een drugslaboratorium, deze snel kan worden aangemerkt als overtreder van artikel 13 van de Wet bodembescherming en/of artikel 1.1a en 17.1 van de Wet milieubeheer.

In de uitspraak van 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2639) was sprake van de situatie waarin op een erf van een voormalige boerderij in een schuur een amfetaminelaboratorium werd ontdekt. Het afval dat bij de productie van drugs vrijkwam werd via een slang en een pomp in een bosperceel geloosd.

Aan de twee, bij de productie van drugs betrapte mannen, werd door het college van de gemeente Tubbergen op grond van artikel 13 van de Wet bodembescherming last onder bestuursdwang opgelegd tot het uitvoeren van een bodemonderzoek.

Een van de overtreders voerde bij de afdeling aan dat hij geen handelingen had verricht zoals bedoeld in artikel 6-11 van de Wet bodembescherming, zodat hij niet kon worden aangemerkt als overtreder van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Hij stelde dat niet hij maar een ander uiteindelijk verantwoordelijk was voor het lozen van drugsafval. Omdat hij daarvan geen wetenschap had, was hij van mening dat lozen hem niet kon worden toegerekend.

De Afdeling Bestuursrechtspraak maakt met dat verweer korte metten. De Afdeling overweegt dat het vaststaat dat het inwerking hebben van een laboratorium als direct gevolg heeft gehad dat verontreinigde stoffen in de bodem zijn gebracht. Het in werking hebben van het amfetaminelaboratorium kan gelet daarop, worden aangemerkt als een handeling waarbij als nevengevolg stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten op/of in de bodem zijn geraakt.

In een uitspraak van 5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:8:2896) was sprake van een appellant die eigenaar was van een schuur op een perceel waar hij een inrichting dreef. Op 19 maart 2015 had er in de, volgens appellant verhuurde schuur, brand gewoed. Daarbij bleek dat er in die schuur een drugslaboratorium was gevestigd. Als gevolg van die brand was de bodem ter plaatse verontreinigd. Het college van burgemeesters van West Maas en Waal had appellant gelast de verontreiniging van de bodem ten gevolge van de brand ongedaan te maken onder oplegging van een dwangsom van € 60.000,-- ineens. Het eerdere beroep van appellant tegen deze last was onder dwangsom was ongegrond verklaard (25 oktober 2016 nr.201605669/3/a1). Omdat appellant aan die last geen gevolg had gegeven had het college last onder bestuursdwang genomen.

De Afdeling overweegt dat vaststaat dat appellant na de brand op het perceel in strijd met artikel 17.1 van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft gehandeld. Tevens staat volgens de Afdeling vast dat de bodem ongeacht de uitkomst van een nog lopende klachtenprocedure gesaneerd dient te worden en dat niet is gebleken dat appellant voornemens is om de last zelf uit te voeren. De last onder bestuursdwang blijft dan ook in stand.

In dit geval is het wel de vraag of het college na deze uitspraak de kosten die zij zal moeten maken ten behoeve van de bestuursdwang op appellant zal kunnen verhalen omdat hij ook al eerder geen gevolg heeft gegeven aan de uitvoering van de opgelegde last onder dwangsom. Uit de uitspraak blijkt ook niet dat het college inmiddels tot invordering van de reeds verbeurde dwangsom is overgegaan. Waarschijnlijk zal het college dan ook daadwerkelijk tot bestuursdwang moeten overgaan omdat het niet voor de hand lijkt te zijn dat appellant nu wel in actie komt.

Uit de uitspraak blijkt wel dat een rechtspersoon die betrokken is bij een drugslaboratorium of daarop invloed heeft snel als overtreder kan worden aangemerkt en dus op het saneren van de bodem kan worden aangesproken.

Alle actueel berichten