Print

Eigenaar van een perceel niet per definitie overtreder zorgplicht artikel 13 Wbb

Gepubliceerd: 18-01-2018

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3484) blijkt dat een eigenaar van een na 1987 verontreinigd perceel, niet zonder meer als overtreder van de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) is aan te merken

Wat was er aan de hand?

Op 2014 zijn (waarschijnlijk twee) erven door vererving mede-eigenaar van een perceel grond in Koekange geworden. De woning die daarop was gebouwd is voor 1987 afgebrand. De restanten van deze woning zijn in een wal op het perceel achter de daarop nieuwgebouwde woning gestort. In 2014 zijn deze restanten van de oude woning ontdaan van andere materialen dan grond en puin. Met behulp van een loonwerker is de grond en het puin verplaatst en afgedekt met grond afkomstig van het eigen perceel. De andere materialen zijn afgevoerd.

Uit een bodemonderzoek, kennelijk in opdracht van het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe, bleek dat er zich in de wal waarin de grond en het puin was opgeslagen, asbest en verhoogde concentraties aan koper, PAK en zink bevonden. Het college heeft de erven op grond van artikel 13 Wbb en artikel 10.2 Wet milieubeheer gelast om de in de aardewal aangebrachte partij verontreinigde grond en puin af te laten voeren.

In het besluit op bezwaar van 12 december 2016 is het besluit herroepen voor zover het gericht was aan een van de erven, omdat hij was uitgesloten van de erfenis en in stand gelaten voor zover het gericht was aan de andere erfgename. Deze erfgename ging daartegen in beroep.

Geen overtreder

De erfgename betoogde dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt, omdat de handelingen waartegen het college optrad niet aan haar kunnen worden toegerekend. Zij had de grond niet zelf verplaatst en had ook geen opdracht gegeven om die grond te verplaatsen. Volgens de erfgename merkte het college haar ten onrechte aan als overtreder namelijk alleen omdat zij mede erfgename was van het perceel.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beoordeelde vervolgens of de erfgename kon worden aangemerkt als overtreder van artikel 13 van de Wbb.

De zorgplicht is volgens de Afdeling niet zonder meer gericht op degene die feitelijk in staat is om een verontreiniging te voorkomen of ongedaan te maken. Eerst indien iemand zelf de bedoelde handelingen heeft verricht, dan wel de handelingen aan hem kunnen worden toegerekend, en hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, rust op hem de plicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de verontreiniging of aantasting te voorkomen of ongedaan te maken.

De erfgenaam die van de erfenis was uitgesloten en tot wie aanschrijving van het college zich niet richtte, was verantwoordelijk voor de door het college geconstateerde verontreiniging op het perceel. De andere erfgenaam heeft deze mede-erfgenaam gesommeerd de situatie op het perceel op een deugdelijke manier op te ruimen. De kosten van het opruimen zijn door de andere erfgenaam voorgeschoten. Dat het opruimen niet op de juiste wijze is gebeurd, is volgens de Afdeling niet aan haar te wijten

Oordeel Afdeling

Niet in geschil was dat de erfgename zelf geen handelingen heeft verricht en dus ook geen handelingen als bedoeld in artikel 6 van de Wbb. Naar het oordeel van de Afdeling was de erfgenaam ook anderszins niet betrokken bij de door het college op het perceel aangetroffen verontreiniging, waardoor de verrichtte handelingen aan haar zouden moeten worden toegerekend. Dat de erfgename de andere erfgenaam heeft gesommeerd het puin op het perceel op te ruimen, achtte de Afdeling onvoldoende voor dat oordeel.

Er is ook niet gebleken dat de erfgename op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het afgraven van de restanten van de woning op de oude locatie, het verplaatsen van de grond en het puin en het oprichten van de aardewal. De Afdeling woog mee dat de erfgename juist had aangegeven dat het puin op een deugdelijke manier moest worden opgeruimd. Dat de erfgename het bedrag dat door voor de werkzaamheden ingeschakelde bedrijf had gefactureerd, heeft voorgeschoten leidde niet tot een ander oordeel.

De Afdeling kwam dan ook tot de conclusie dat de erfgename in dit geval niet als overtreder kon worden aangemerkt.
Alle actueel berichten