Print

Bevel tot het gedogen van ontgraven en verwijderen van asbesthoudende baggerspecie

Gepubliceerd: 19-09-2017

Bevel tot het gedogen van ontgraven en verwijderen van asbesthoudende baggerspecie.

28 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2296

Gepubliceerd: 18-09-2017

Op het terrein van verzoekster, gelegen aan de [locatie] te Heemstede, is eind 2012 en in 2013 baggerspecie in depot gebracht. De baggerspecie is afkomstig uit de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Een deel van de opgeslagen baggerspecie is over een deel van het perceel verspreid. Gebleken is dat in de op het perceel aanwezige baggerspecie asbesthoudend materiaal aanwezig is. Hoewel dit pas in 2017 tot een gedoogbevel leidt wordt het opslaan, zo leid ik uit de uitspraak af, aangemerkt als een ongewoon voorval, zoals bedoeld in artikel 30 van de Wet bodembescherming (Wbb).

Bij besluit van 7 juli 2017 heeft het college verzoekster, waarschijnlijk op grond van artikel 30 lid 3 van de Wbb, bevolen te gedogen dat op het perceel in de maanden augustus, september en oktober van 2017 gedurende een periode van maximaal 20 werkdagen werkzaamheden worden uitgevoerd ter verwijdering van het op het perceel aanwezige asbest, zoals omschreven in het door Niebeek B.V. opgestelde Plan van Aanpak van 10 maart 2016.

De uit te voeren werkzaamheden bestonden onder meer uit de verwijdering van asbest op het maaiveld door middel van handpicking, het verwijderen en afvoeren van grof vuil bij de spuitmonden en eventueel de inzet van (mechanische) hulpmiddelen.

Verzoekster had het college geweigerd toegang tot het perceel te verlenen om het asbesthoudende materiaal te verwijderen. Dit terwijl het college bereid was de kosten voor verwijdering van asbest, waar naar schatting een bedrag van € 456.000,00 (excl. BTW), voor eigen rekening te nemen.

Partijen waren het erover eens dat asbest van het terrein moest worden verwijderd in verband met het risico op verspreiding daarvan in het milieu en naar de bewoonde omgeving. Met de uitvoering van het Plan van Aanpak van 100 maart 2016 zou asbest van het terrein worden verwijderd. Verzoekster meende dat dit niet voldoende was omdat uitvoering van het Plan van Aanpak volgens haar de aantasting van het terrein door asbest niet “zoveel mogelijk” ongedaan maakt. Daartoe was volgens haar nodig dat alle asbesthoudende bagger zou worden ontgraven en afgevoerd, waarvan kennelijk geen sprake was.

De voorzieningenrechter overweegt dat als het Plan van Aanpak zou worden uitgevoerd, dat niet betekent dat het college in bezwaar niet tot het oordeel zou kunnen komen dat alsnog al het aanwezige asbest moet worden verwijderd en zij schorst daarom het gedoogbevel niet.

Jurisprudentie over gedoogbevelen is schaars, meestal komt het tot een oplossing in der minne. Zie voor een andere zaak waar dat niet lukte: ECLI:NL:RVS:2016:457.

De feiten in dit geval zijn summier weergegeven. Het is niet helemaal duidelijk waarom Gedeputeerde Staten de kosten van het verwijderen van de asbest voor hun rekening nemen. Mogelijk is het depot in opdracht en onder verantwoordelijkheid van GS ingericht.

Artikel 30 lid 1 van de Wbb spreekt over “de oorzaak van de verontreiniging of aantasting weg te nemen en de verontreiniging of aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Of met het Plan van aanpak dat “zoveel mogelijk” is gebeurd kan ik op grond van de geschetste feiten niet beoordelen.

De voorzieningenrechter laat zich over het Plan van Aanpak ook niet uit. Zij is van mening dat die discussie maar in de bezwaarprocedure moet worden gevoerd. Verzoekster zal dat mogelijk nog doen en daarbij moeten aantonen dat in dit geval de asbestverontreiniging niet “zoveel mogelijk “ongedaan is gemaakt. Zij kan zich mogelijk daarnaast ook nog tot de civiele rechter wenden met een schadeclaim. Zij zal, onder andere, dan wel moeten aantonen dat zij schade heeft geleden. Wellicht wordt deze zaak dus nog vervolgd.

Alle actueel berichten