Print

Vordering tot vernietiging van arbitrale (appel)vonnissen afgewezen

Gepubliceerd: 19-07-2016

Vordering tot vernietiging van arbitrale (appel)vonnissen afgewezen, geen geval van een niet met redenen omkleed, geen schending hoor wederhoor.

Het gerechtshof in Amsterdam heeft op 19 april 2016 het vonnis bekrachtigd waarbij de vordering tot vernietiging van arbitrale (appel)vonnissen is afgewezen. Het betrof hier geen geval van een niet met redenen omkleed vonnis. Voorts levert de beslissing van de appelarbiters om een geplande zitting geen doorgang te laten vinden, geen schending op van het beginsel van hoor en wederhoor noch van het beginsel dat partijen desgewenst worden gehoord.

In het onderhavige geval betrof het een geschil tussen partijen met betrekking tot een overeenkomst van aanneming van werk in regie gesloten “voor de begeleiding van de organisatie en de ondersteuning van de afbouw” van een reeds door een andere aannemer, die failliet is gegaan, geplaatst casco. Het werk betreft een woning.

Partijen hebben in verband met de uitvoering van die overeenkomst hun geschil voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw (verder te noemen: de Raad). Bij arbitraal vonnis van 15 december 2011 heeft de arbiter geoordeeld dat geïntimeerden ten onrechte zijn opgehouden met het betalen van de facturen van appellant en dat deze terecht het werk heeft stilgelegd. Geïntimeerden zijn veroordeeld tot betaling aan appellant van de in het arrest genoemde bedragen. Vervolgens zijn geïntimeerden van voormeld arbitraal vonnis in hoger beroep gekomen. Vervolgens is appellant veroordeeld in het arbitrale eindvonnis in beroep van 11 april 2014 onder meer een bedrag te betalen van € 196.008,91.

Daarna heeft appellant in eerste aanleg bij de rechtbank gevorderd, kort gezegd de arbitrale vonnissen van 9 augustus 2013 en 11 april 2014 te vernietigen.

De rechtbank heeft onder 4.2 van het bestreden vonnis onbestreden – en overigens met juistheid – als volgt overwogen:

“De rechtbank stelt voorop dat de rechter bij het onderzoek of er grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis bestaat terughoudendheid moet betrachten. Deze regel hangt onder meer hiermee samen dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen daarin dient in te grijpen. Vernietiging op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed (artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv [oud; hof]) is slechts mogelijk wanneer motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Met het ontbreken van een motivering moet op één lijn worden gesteld het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen, in die zin dat het arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld.”

De rechtbank heeft daarbij verwezen naar arresten van de Hoge Raad van 9 januari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AK8380) en 22 december 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AZ1593).

Daarnaast oordeelt het Hof onder meer onder 3.6.5: dat het Hof voorop stelt dat de appelarbiters door de zitting van 24 maart 2014 geen doorgang te laten vinden in ieder geval niet hebben gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Appellant wenste immers niet te worden gehoord over standpunten, bescheiden of gegevens die van de kant van geïntimeerden ingevolge het tussenvonnis van 9 augustus 2013 naar voren, respectievelijk in het geding waren gebracht, maar zijn eigen visie – mede op basis van het memorandum van (B) – nader toe te lichten, daarbij tevens verzoekend om ‘herziening’ van dat tussenvonnis.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Karin de Keijzer (kdekeijzer@kroondekeijzer.nl).

Alle actueel berichten