Print

Gemeente verhuurt tijdelijke woonruimte

Gepubliceerd: 10-03-2016

Gemeente verhuurt tijdelijke woonruimte aan net afgestudeerde kunstenaars, huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur?

De gemeente Amsterdam heeft aan de huurder (Stichting WoW) een pand (voorheen een HTS, waarin ook nog enige tijd een asielzoekerscentrum was gevestigd) verhuurd dat bestemd is voor net afgestudeerde kunstenaars, zodat zij hun carrière in Amsterdam kunnen opbouwen. Deze groep komt niet meer in aanmerking voor een campuscontract en heeft nog onvoldoende inschrijftijd om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. De huurwoning in de vrije sector kunnen zij (nog) niet betalen. De gemeente wil dit kunsttalent graag aan Amsterdam binden.

Na enige tijd van leegstand heeft de gemeente het pand, ofwel het gehuurde, met ingang van 1 april 2014 verhuurt aan WoW.

In de huurovereenkomst tussen de gemeente en WoW is onder meer bepaald dat:

“Huurder zal ervoor zorgen dat een huurovereenkomst wordt opgesteld waarin uitdrukkelijk tot uitdrukking wordt gebracht en door de “AiR” (toevoeging: ofwel de onderhuurder) uitdrukkelijk akkoord wordt gegaan met een huur die naar zijn aard van tijdelijke duur is en valt onder de wettelijke uitzondering als vermeld in art. 7:232 lid 2 BW. Huurder en AiR dienen daarbij te voldoen aan de volgende voorwaarden:

· Verblijf is op basis van ‘extended stay’ als verwoord in “Handreiking extended stay; Wonen versus Hotel” (…) welke als bijlage is bijgevoegd bij deze huurovereenkomst.

· Er is sprake van een minimale verblijfsperiode van drie maanden en de maximale periode is in bovengenoemde handreiking beperkt tot 1 jaar, maar kan, indien een rechterlijk oordeel wordt verkregen door huurder en verhuurder dat bij een duur van twee jaar of korter nog altijd sprake is van woonruimte naar zijn aard van korte duur als bedoeld in art. 7:232 lid 2 BW, worden aangegaan voor een maximum periode van twee jaar. Nadere verlenging is niet mogelijk.”

WoW wil de onderhuurovereenkomsten met de AiRs onder wie verzoeker sub 4, zijnde huurder graag met een jaar verlengen, van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016. De Gemeente wil daaraan geen medewerking verlenen indien dat leidt tot een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, hetgeen volgens de Gemeente het geval is. In het laatste geval zou er huurbescherming ontstaan. Partijen vragen samen aan de kantonrechter een verklaring voor recht over de vraag of door de verlenging huurbescherming zal ontstaan.

De kantonrechter komt in haar uitspraak van 29 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:8076) tot het oordeel dat de onderhuurovereenkomst in dit geval niet kan worden gekwalificeerd als huur, welke naar zijn aard slechts van korte duur is, zoals bedoelt in artikel 7:232 lid 2 BW, maar de kantonrechter oordeelt tevens dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wanneer de onderhuurder een beroep doet op huurbescherming, nu ter zake heel expliciete afspraken zijn gemaakt, alsmede de aard van het gehele project en de doelstellingen van WoW.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Karin de Keijzer (kdekeijzer@kroondekeijzer.nl).
Alle actueel berichten